In gesprek met Bert Ordelman

"Ik heb geleerd alleen te staan..."

Opgroeiend aan de rand van een dorpje in de Achterhoek, genietend van het vrije buitenleven, spreekt hij de wens uit ooit boswachter te worden. Hij is het tot op heden niet geworden. Omdat het buitenleven blijft boeien, gaat zijn interesse uit naar een studie tuinarchitectuur. Maar een te beperkt ontwikkelde natuurkundeknobbel gooit roet in het eten. Nu komt hij nauwelijks meer buiten. Zijn liefde voor het buitenleven is onderhuids nog wel aanwezig, maar er zijn andere liefdes bijgekomen. We spreken met Bert Ordelman (44). In het dagelijks leven schoolbegeleider bij het BGS, bestuurslid van een SBO-school en van een zorgboerderij annex werkervaringsproject, boekenliefhebber, actief muzikant, vakantieganger en vooral gezelschapsmens.

Tekst: D.D. (Dick) Both

Als Oud Gereformeerd jongetje bezoekt hij de christelijke lagere school te Zelhem. Als één van de weinigen uit de klas leert hij de psalmen uit de berijming van 1773; de andere kinderen leren de op school aangeboden psalmen in de nieuwe berijming. Het is zijn eerste kennismaking met ‘hen die anders denken of nergens aan doen.’
Op de HAVO in Doetinchem voelt hij zich een eenling. De school – die ooit voortkwam uit de op het Reveil georiënteerde Ds. Van Dijkstichtingen – kon met ‘refo’s’ minder goed overweg.  ‘In HAVO-3 kwam de directie op het idee in het kader van de religieuze vorming, schoolbreed de godslasterlijke flim Jesus Christ Superstar in de bioscoop te gaan bekijken.  Daar konden en mochten wij niet naar toe. Met enkele anderen hebben we onze bezwaren aan de directie kenbaar gemaakt. Het gevolg was een alternatieve opdracht: met de (gereformeerde) conrector in discussie over de vraag waarom je niet naar de bewuste film kon gaan. De avond voor dit gesprek hebben we als jongeren van de gemeente nagedacht over de argumenten die we zouden aanvoeren.’
   
PA en RU
Er gaat een nieuwe wereld open als de 17-jarige Achterhoekse jongeman vanuit de periferie naar de Pedagogische Academie in Gouda trekt. ‘Het leek me wel leuk om les te geven’, zo luidt zijn motivatie. De driejarige periode op De Driestar is ‘boeiend en sfeervol.’ Dit geldt zeker ook voor zijn verblijf op de zesde etage van het internaat waar ‘vooral ’s nachts werd gestudeerd.’
Op de Driestar ontmoet hij ‘identificatiefiguren.’ ‘Iemand als mr. Hage, docent Cuma,  heeft diepe indruk op me gemaakt. Zijn lessen culturele en maatschappelijke vorming hebben een vuur in mij ontstoken. Met de heer Florijn, docent pedagogiek, heb ik altijd contact gehouden. Hij kon je indringend aan het denken zetten. Hij heeft een stempel op mijn pedagogisch denken gezet. De Driestartijd was een periode met een gouden randje.’
Na drie jaar PA neemt hij plaats in de collegebankjes van de Rijksuniversiteit Utrecht als student wijsgerige historische pedagogiek. ‘Ik studeerde en studeer graag.’  Hij maakt diepgaand kennis met de pedagogen en psychologen van de Utrechtse School als Langeveld, Buytendijk, en via zelfstudie ook met christelijke pedagogen als Gunning, Bavinck en Waterink. ‘Hun manier van denken is heel vormend geweest. Zij hebben mij geleerd dat de theorie de praktijk  bevrucht.’

BGS
Het vijfde studiejaar in Utrecht breekt aan. De bijna afgestudeerde Achterhoeker brengt een bezoek aan de BGS. ‘Om me te oriënteren op wat ik in de toekomst wilde. Ik werkte parttime als leerkracht op een basisschool. Ook heb ik een korte periode lesgegeven op de speciale basisschool in Ede.’ Het bezoek aan het  BGS resulteert in een uitnodiging om een lezing te houden over het gebruik van rollenspel als leermiddel. ‘Ik had er grondig studie van gemaakt.  Een jaar later werd ik gevraagd bij het  BGS te komen werken aan identiteitsstudies.’ Hij schrijft onder andere commentaren op wetsvoorstellen als de Evaluatie van het Basisonderwijs, de kerndoelen en later ook over het vak geestelijke stromingen. Na enkele jaren verandert zijn takenpakket en specialiseert hij zich in het rekenonderwijs en de leerlingbegeleiding.

Rekenen
‘Op de lagere school in Zelhem werd gerekend in niveaugroepen met de methode Naar aanleg en tempo. De nadruk lag op hoofdrekenen en cijferend rekenen. Voor die tijd niet eens zo’n slechte methode met in elk geval de nodige aandacht voor leerstofdifferentiatie’, beoordeelt de rekenspecialist van het BGS, terugkijkend op zijn lagere schoolperiode.
Over het huidige rekenonderwijs is hij goed te spreken. ‘Het reformatorisch onderwijs heeft tijdig de sprong naar realistisch rekenonderwijs gemaakt door in de jaren ’90 de methode Wereld in getallen of Pluspunt aan te schaffen. Mede dankzij deze methodes is veldbreed het niveau van het rekenonderwijs op onze basisscholen omhooggegaan. Ook de zwakkere rekenaars snappen nu veel beter waar ze mee bezig zijn.’ Met enige trots kijkt hij terug op de rol die het  BGS als stimulator en katalysator heeft gespeeld, ook in de kritische meningsvorming over de voor- en nadelen van realistisch rekenonderwijs.
De resultaten van het rekenonderwijs zijn omhoog gegaan. Toch is er nog genoeg werk aan de winkel. ‘De uitdaging is de leerkrachten blijvend bij te scholen en hen te stimuleren om naast de waardevolle traditionele leerkrachtvaardigheden - zoals het neerzetten van een goede, heldere instructie - zich ook interactieve vaardigheden en de interactieve vorm van instructie eigen te maken. Het gaat erom de leerlingen aan het denken te zetten. Denkactiverend onderwijs is van groot belang voor de diepte van het leren. Leerlingen moeten geprikkeld worden te reflecteren op hun aanpak en op hun denkproces’, geeft de schoolbegeleider aan.

WSNS
Twee dagen per week is hij werkzaam als coördinator van het reformatorisch WSNS-samenwerkingsverband in de regio Ede. ‘Uitdaging en werk genoeg’, zo meent de coördinator, die zich met WSNS drie doelen voor ogen stelt. ‘Samen met de scholen werken we aan het van de grond krijgen van een goed systeem van kwaliteitszorg. Zeker in een tijd van enorme personele doorstroming is dat essentieel. Als je als school geen kans ziet de verworven kwaliteit vast te leggen, te borgen, blijf je steeds weer opnieuw bezig met opbouwen in plaats van met inwerken.
Daarnaast is de vergroting van de leerkrachtvaardigheden, en dan met name als het gaat om de instructie- en interactievaardigheden, van groot belang.’
Bert zou in de derde plaats graag zien ‘dat de school een zelflerend instituut wordt, waar door middel van coaching structureel gewerkt wordt aan de vergroting van de kwaliteit van de (nieuwe) leerkrachten. Zij vormen de kern en het hart van de onderwijskwaliteit.’  

Vrije tijd
’s Zondags is hij regelmatig te vinden achter de klavieren van het orgel van de Gereformeerde Gemeente te Doetinchem. Zijn voorkeur gaat daarbij uit naar de muziek van de mensen als Klaas Bolt, Dick Sanderman en Geert Bierling. ‘Componisten die zich overwegend binnen de grenzen van het tonale systeem bewegen en die aansluiten bij belangrijke kerkmuzikale tradities.’  In muzikaal opzicht is hij een alleseter.  ‘Naast de cantates van Bach luister ik graag naar Engelse vocale werken, naar Mendelssohn en Schütz, en ook wel naar een hedendaagse componist als Arvo Pärt, om er een paar te noemen.’ 
Bert mag zich verheugen in een goede en grote vrienden- en kennissenkring. Met een aantal van hen wandelt hij op gezette tijden door prachtige landschappen. ‘Het zijn altijd hele gezellige dagen van ontmoeten en bijpraten waarbij in de gesprekken van alles de revue passeert. Huis-tuin-en-keuken-onderwerpen, maar vaak ook het onderwijs en allerlei theologische en historische kwesties.’
Antiquarische boekhandels mogen zich in zijn warme belangstelling verheugen. Hij leest en bestudeert vele boeken. ‘Als het om theologie gaat, staan boven aan mijn lijstje boeken van Augustinus, Luther en van Schotse en Engelse theologen van de 16e, 17e en 18e eeuw. Als het om andere boeken gaat, komen er namen boven van filosofen als Pascal en Nietzsche, van psychiater en cultuurfilosoof dr. Jan Hendrik van den Berg, de theoloog dr. W. Aalders, de historici Huizinga en Van Deursen en schrijvers als Tolstoj en Dostojewski.’
 
Reformatorisch onderwijs
Zijn eerste kennismaking met het reformatorisch onderwijs betekende een verademing. Op Hogeschool De Driestar ervoer hij voor het eerst de sfeer en de weldadige warmte van de eigen kring. Toch was de periode op de middelbare school een leerzame. ‘Ik heb daar geleerd alleen te staan en ik denk ook dat het erom gaat dat je je taken in dit leven doet vanuit een bijbels besef van vreemdelingschap. Is een waarachtig christelijk leven ook geen leven dat weerstanden oproept? Maar een besef van ons vreemdelingschap mag ons nooit naar binnen gekeerd doen zijn.’
Het vormingsideaal van begeleide confrontatie is volgens hem vooral een theoretische discussie.  ‘Over begeleide confrontatie binnen het reformatorische basisonderwijs wordt veel en te gemakkelijk  gesproken. Eigen methodes – waarop zeker kritiek mogelijk en nodig is - worden aan de kant geschoven, ‘neutrale’ methodes worden binnengehaald. De vraag is wat er bij het gebruik van die ‘neutrale’ methodes van de beoogde begeleide confrontatie in de praktijk terecht komt. En: we hoeven onze leerlingen echt niet actief met de wereld te confronteren. Zeker in deze tijd niet. Lees de mediaserie in het RD. Geconfronteerd met de wereld worden ze toch wel. Ik lees in Gods Woord: ‘Overwint het kwade door het goede.’ Laten we er daarom naar streven de basisschoolleerlingen te indoctrineren met de dingen die goed, die bijbels zijn. Dat is veel moeilijker en onmogelijker dan wij denken. Opvoeding en onderwijs dienen erop gericht te zijn de leerlingen het zuurdesem mee te geven dat het deeg van hun leven doorzuurt. De leerkracht speelt hierin een belangrijke rol. Wie ben je als leerkracht? Laten we beseffen dat in de opvoeding de onopzettelijke dingen – die het sterkste ons wezen, ons zijn als mens uitademen – een veel groter effect hebben dan de opzettelijke daden. Het christen zijn moet beleefd zijn. De waarachtigheid daarvan proeven de leerlingen!’